Wintertellingen watervogels

Sinds 1979/80 worden er in Vlaanderen elke winter zes midmaandelijkse tellingen georganiseerd (periode oktober tot maart). Het doel van deze tellingen is een inzicht te verkrijgen in de aantallen, de trends en de verspreiding van de watervogels die tijdens de winter in onze wetlands ( = waterrijke gebieden) verblijven. De coördinatie van de tellingen en het beheer van de gegevensbank is sinds 1986 in handen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (1). Tevens wordt er meegewerkt aan internationale watervogeltellingen met als belangrijkste de jaarlijkse "International Waterfowl Census". Deze internationale telling wordt gecoördineerd door Wetlands International (2) en vormt een belangrijke basis voor de bescherming van waterrijke gebieden onder de Ramsar-Conventie (3) en de Europese Vogelrichtlijn. In Vlaanderen worden meer dan 500 gebieden geteld door ongeveer 400 amateur-veldornithologen

Door leden van onze werkgroep worden de watervogels op de Grote Geule, de Salegemkreek en op de plas van het Steengelaag geteld. De resultaten worden ingegeven via de website van het INBO.

  1. INBO: Instituur voor Natuur- en Bosonderzoek - www.inbo.be
  2. Wetlands International: een toonaangevende non-profit organisatie die zich op wereldvlak inzet voor de bescherming en het beheer van waterrijke gebieden - www.wetlands.org
  3. Ramsar conventie: Conventie ondertekent in 1971 in Ramsar (Iran) voor de bescherming van watervogelgebieden van internationale betekenis - www.ramsar.org


Meer informatie over tellen van wintervogels vind je www.meetnetten.be

 

 


Tijdens de maand oktober komen de eerste grauwe ganzen toe en de aantallen kunnen in de omgeving van de Grote Geul oplopen tot meer dan 1000 ganzen. De kolgans is minder talrijk aanwezig, af en toe tellen we een groep van maximaal 500 kolganzen. Meestal vertrekken de ganzen tijdens de maand februari terug naar het noorden. De Canadese gans is het ganse jaar aanwezig, tijdens het winterhalfjaar is een groep van een 150 Canadese ganzen geen uitzondering. De wilde eend blijft met ruime voorsprong de talrijkste eend en kan een wintermaximum bereiken van 250 exemplaren. Soms start de slobeend in oktober met een 100-tal maar valt dan terug tot enkele exemplaren. De tellingen leveren tijdens de wintermaanden voor kuifeend, bergeend, krakeend, wintertaling en tafeleend lage cijfers op ( < 10 ex. per soort). De smient is een wintergast, het aantal varieert en kan een maximum bereiken van een 100-tal smienten . In de weiden naast de Sint-Kornelistraat overwintert er een groep meerkoeten met enkele waterhoenen ( maximaal 150 ex.). Op de plas pleisteren regelmatig ook enkele futen en aalscholvers. De grote zaagbek en de roerdomp blijven een zeldzame verschijning.

 


De Saleghemkreek toont tijdens de wintermaanden een ander beeld. Hier treffen we op de akkers naast de Saleghemkreek af en toe een groep grauwe ganzen aan van maximaal 250 ex. De Canadese gans laat een maximum optekenen van een 50-tal exemplaren. De Nijlgans is slechts aanwezig met enkele exemplaren. De wilde eend blijft hier ook de talrijkste eend met maximaal 150 ex. De krakeend, bergeend, wintertaling, kuifeend, slobeend, tafeleend en smient zijn tijdens de mid-maandelijkse tellingen meestal aanwezig met maximum 20 ex. per soort. Af en toe worden er een 10-tal futen, een 20-tal waterhoenen en een 100-tal meerkoeten geteld. In de buurt van de Groenendijk huist er een kolonie blauwe reigers. De aantallen voor deze soort bereiken in februari en maart een totaal van 30 à 40 vogels.

 


Deze plas ligt verder van de vogelgebieden op Linkeroever. De talrijkste gans is de Canadese gans (maximaal 150 ex.) gevolgd door enkele Nijlganzen. De grauwe gans is meestal afwezig. Met maximaal 350 exemplaren is de wilde eend veruit het talrijkst. In totaal tellen we hier voor de overige soorten eenden samen een 50 à 100 exemplaren. Verder zijn er op de plas een klein aantal meerkoeten, waterhoenen, blauwe reigers en aalscholvers aanwezig.