Natuurgebieden

Slechts 3 ha groot zijn de percelen die Natuurpunt beheert in de Gavers te Sint-Gillis. Geprangd tussen de autoweg E34 en het Stropersbos zijn deze natte hooilanden de enige die resten van het eertijds grotere gebied dat lag in een uithoek van de gemeente Kemzeke. De aanleg van de expresweg midden de drassige weilanden, eind van de jaren zestig, gaf een eerste zware slag aan dit oude cultuurlandschap. Recent werd de zuidelijke helft door de ambachtelijke zone ingepalmd, zodat alleen ten noorden van deze snelweg nog een 5-tal ha overblijft.

Geologisch is het een bijzonder gebied. Het is vlak en ligt minder dan 2m boven de zeespiegel. De bodem bestaat uit een laag van ongeveer 40cm aangespoeld zand en leem uit de omgeving. Bijzonder is dat dit materiaal rust op een moeraskalklaag van ongeveer 15cm dik. Deze dateert van na de ijstijden toen het gebied een voedselrijke zoetwaterplas was waarin veel weekdieren voorkwamen die voor de kalkafzetting zorgden. Misschien hebben de eerste landbouwers het ondiepe meer drooggelegd waarna het nog regelmatig overstroomde met een meer kleiige laag boven de kalkzone voor gevolg. De drassige bodem en de regelmatige overstromingen, ook na zomerse stortbuien, laten geen andere dan een hooilandcultuur toe.

Sinds we de percelen in 1986 in beheer genomen hebben is buiten wat verteerde stalmest bemesting volledig achterwege gebleven. Bovendien voorkomt de moeraskalk niet alleen dat de bodem verzuurt maar houdt ook de fosfaten vast die zo slechts met mondjesmaat voor de plantengroei beschikbaar zijn. Deze gunstige situatie wordt nog versterkt door ijzerrijk kwelwater dat vanuit de hoger gelegen Stropersbossen het gebied binnendringt.

Al vroeg in het voorjaar staan de laagst gelegen delen van de hooilanden (met de sterkste kwelinvloed) vol met prachtige dotterbloemen. Vanaf mei vervoegen pinksterbloem, zomp- en moerasvergeetmijnietje, scherpe  en kruipende boterbloem en echte koekoeksbloem het geheel.

De grijze en groene tinten van scherpe, tweerijige en blaaszegge, echte witbol, beemdlangbloem en ruw beemdgras zorgen voor de grondkleur. Half juni  tooien deze graslanden zich het mooist. Buiten de eerder genoemde soorten zorgen de witte bloempjes van moeraswalstro en zeegroene muur voor afwisseling met de gele van grote ratelaar en de rode van veldzuring. Zeldzaamheden als schildereprijs, ruw walstro, brunel, egelboterbloem en een enkele brede orchis en rietorchis - als deze al niet vroegtijdig opgegeten worden door reeën of konijnen - brengen de beheerders in vervoering. In de ruige rietgordels rond de percelen vindt de plantenliefhebber bovendien grote kattenstaart, engelwortel, poelruit, grote wederik, blauw glidkruid, moerasspirea en kale jonker. Waar vroeger slootbagger werd gestort groeit ook bitterzoet, smeerwortel, akkerdistel en grote brandnetel.

Alhoewel het geraas van het verkeer op de snelweg alles overstemt is in de zomer steevast de kleine karekiet en bosrietzanger te horen. Op het kleine ruige perceel met koninginnenkruid, bramen e.d. krast ook de grasmus zijn lied. Buizerd en torenvalk zijn er dikwijls te zien speurend naar muizen. Ook de vos komt er wel eens langs.

In warme zomers zijn vlinders niet bepaald zeldzaam in de Gavers: oranjetipje, landkaartje, bruin zandoogje, bont zandoogje, atalanta, groot koolwitje, kleine vos en oranje luzernevlinder staan in het notaboekje van de conservator.

Info bij Jan Dhollander